kunstmatige intelligentie

Yuval Noah Harari en zijn blinde vlek voor de vlinder verborgen in ieder mens

Yuval Noah Harari mag op dit moment worden beschouwd als een van de meest vooraanstaande denkers van onze tijd en een van de best gelezen schrijvers. In zijn 2 boeken Homo Sapiens en Homo Deus schetst Harari een beeld van de geschiedenis van de mens, de Homo Sapiens en van zijn toekomst. Een toekomst waarin de Homo Sapiens zich wellicht overbodig maakt. Een van zijn kernpunten is dat wij als mens geen vrije wil hebben, geen ziel of essentie, geen ongedeelde individualiteit. Deze kapstok, waar ons humanistisch liberale denken op is gebaseerd, is volgens Harari een illusie. Met een knipoog naar het Boeddhisme, die immers ook onze ik als een illusie beschouwt, als bron van al ons lijden. Door een combinatie van de biologie volgens Darwin en de huidige wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van kunstmatige intelligentie wordt al het leven, inclusief wijzelf als mens, beschouwd als een verzameling van algoritmes.

Toen ik dit las, kreeg ik een dejavu van zo’n 35 jaar geleden, toen ik begin 20 was en op zoek was naar mezelf. Wie ben ik? Samen met een aantal mannen in het Zeeuws Vlaamse Terneuzen lazen we inspirerende boeken van Osho, Krishnamurti, maar ook Gurdjeff en Ouspensky. Gurdjeff, een Armeense mysticus, leefde in het begin van de vorige eeuw, in de tijd van het kubisme. Niet voor niets schetst ook hij het beeld van de mens als een machine, als een robot. Hij zou het waarschijnlijk prima kunnen vinden in deze moderne computertijd met de ideeën van Harari. Laten we hun denken wat betreft de vrije wil eens naast elkaar leggen. Harari schrijft; De laatste decennia zijn biowetenschappers tot de conclusie gekomen dat het liberale verhaal van de vrije wil pure mythologie is. Het ondeelbare authentieke zelf is net zo echt als de eeuwige ziel, Sinterklaas en de paashaas. Als ik echt diep in mezelf kijk, valt de schijnbare eenheid die ik als vanzelfsprekend beschouw uiteen in een kakafonie van tegenstrijdige stemmen, waarvan er niet eentje mijn ‘ware zelf’ is. Mensen zijn geen individuen. Mensen zijn ‘dividuen’(delen). Einde citaat. Dan Ouspensky, die de leer van Gurdjeff uiteenzet in het boek De Vierde Weg. Als we onszelf gaan bestuderen, stuiten we allereerst op een woord dat we meer dan enig ander gebruiken, en wel het woord ‘ik’. We zeggen ‘ik doe’, ‘ik zit’, ‘ik voel’, ‘ik bemin’, ‘ik heb afkeer van’ enz. Hierin schuilt onze voornaamste illusie, want dè vergissing die we ten opzichte van onszelf begaan, is dat we onszelf als een eenheid zien; we hebben het altijd over onszelf als een ‘ik’, en nemen aan dat we daarmee altijd hetzelfde bedoelen, terwijl we in werkelijkheid verdeeld zijn in honderden verschillende ‘ikken’. Deze ‘ikken’ veranderen voortdurend; het ene onderdrukt het andere, het ene neemt de plaats in van een ander, en deze strijd vormt ons innerlijk leven. Einde citaat.

Ook al zit er een eeuw tussen het denken van Harari en Gurdjeff/Ouspensky, ze komen wat betreft de kwestie van de vrije wil op hetzelfde punt uit. Dat is boeiend. Nog boeiender is de verschillende afslag die ze daarna nemen. Om dit duidelijk te maken gebruik ik als metafoor voor de mens, de rups die transformeert tot een vlinder. Hierbij beschouw ik Harari als vertegenwoordiger van de rupsenwereld en Gurdjeff/Ouspensky als vertegenwoordigers van de vlinderwereld. Harari zegt eigenlijk tegen de rupsen dat het idee van de vlinder een verzinsel is, een verhaal, een illusie. Ja, we kunnen wel vliegen, zegt hij, we kunnen wel het eeuwige leven verkrijgen, we kunnen wel gelukkig worden, maar dat kan enkel aan de hand van een uiterlijke machine, een robot, kunstmatige intelligentie, het Internet der Dingen waar alle algoritmes van het leven in worden verzameld. Dus eigenlijk een rups met een zelfgemaakt tuigje met vleugels waarmee hij probeert te vliegen. Voor Harari is de materiële wereld van de rups het begin en einde van zijn wetenschappelijke denken. Precies zoals de wetenschap waarop hij zich beroept de eendimensionale wetenschap van de rups is, die instrumenten ontwikkelt om beter te kunnen waarnemen, beter te kunnen meten, maar niet verder kan kijken dan de rupsenwereld. Met andere woorden geen instrumenten heeft om de vlinder te kunnen zien en van daaruit concludeert dat er geen vlinder bestaat. Eigenlijk alsof de aarde nog plat is. De rups gaat dood, onoverkomelijk, al geeft Harari ons de twijfelachtige hoop dat we (althans een kleine, rijke elitegroep) met onze kunstmatige intelligentie eeuwig leven zouden kunnen verkrijgen. De rups gaat dood en wordt een cocon. Daar begint het denken van Gurdjeff.

Het feit dat we in de aandachtslaag van ons dagelijks leven geen onverdeelde individualiteit hebben, betekent nog niet dat hij er niet is. We hebben er alleen geen contact mee. Hij zit verborgen onder de laag van ons oppervlakkige, uiterlijke en volgens Gurdjeff mechanische leven. Gurdjeff onderscheidt drie invloeden, die wij in ons leven tegen kunnen komen. Ten eerste zijn er de invloeden van ons dagelijks leven, maar ook die van televisie en internet. Daarnaast is er de invloed van kennis uit boeken die verder, dieper gaan dan dit dagelijks leven. Kennis in de vorm van metaforen, vergelijkingen, die op een ander niveau wordt begrepen dan die van het oppervlakkige dagelijks leven. Tot slot is er de levende kennis van mensen die al een proces hebben doorgemaakt van transformatie, van ontwikkeling die verder gaat dan de functionele rollen die we hebben in het dagelijks leven. Deze laatste twee invloeden kunnen ons raken in dat verborgen punt van onze essentie en het verlangen oproepen om hiernaar op zoek te gaan. Op zoek te gaan naar de vlinder die in de rups verborgen zit.

Daar waar Harari het heil zoekt in het scheppen van een machine, een robot, een Internet der dingen buiten onszelf, vindt Gurdjeff de Heilige Graal in onszelf. Harari schetst in zijn boeken de geschiedenis en de toekomst van de mens als collectief. De weg van Gurdjeff is die van het individu, die met zijn aandacht naar binnen gaat en daar zijn schat vindt. Voor wie de materiële werkelijkheid niet het begin en einde is, maar in zichzelf ook een geestelijke, meerdimensionale werkelijkheid ontdekt. De werkelijkheid van de vlinder die in de rups verborgen zit. Gurdjeff stelt dat werkelijke evolutie nooit zonder bewustzijn kan plaatsvinden. Harari stelt in Homo Deus dat het functioneren in de maatschappij geen bewustzijn nodig heeft. Intelligentie is nodig, bewustzijn is bijzaak. Daarmee zegt hij impliciet dat de ontwikkeling die hij voor zich ziet een mechanische, dus geen evolutie is. Naar mijn mening kan het zo zijn dat beide wegen tegelijkertijd bewandeld worden, de ene weg door de mens als collectief, de andere weg door de mens als individu. Maar de werkelijke evolutie vindt plaats op de weg van het individu die samen met gelijkgestemden ontdekt dat in de rups een vlinder verborgen zit en daarmee zijn identiteit verlegt van het materiële naar het geestelijke. Naar bewustzijn als uitgangspunt van al het leven.

De volgende stap in de evolutie

Het nieuwe boek van Dan Brown, Oorsprong, inspireert me om bij mezelf weer eens na te denken over wat voor mij nu de kern is van wie we eigenlijk als mens zijn. Wie ben ik? Een vraag die ik me al stelde toen ik op de middelbare school zat en tijdens de lessen boeken las van onder andere Oespensky en Herman Hesse.

Een van de hoofdrolspelers in het boek van Dan Brown, Edmond Kirsch ontwikkelt een vorm van kunstmatige intelligentie, die gebaseerd is op onze hedendaagse ontwikkeling, maar gaat daarin een aantal stappen verder. Zo ver dat hij aan de hand van een computerprogramma in staat is om de vragen te beantwoorden; waar komen we vandaan en waar gaan we naartoe? Vragen die de mensheid al eeuwenlang bezig houdt. Eigenlijk komt zijn antwoord er op neer dat we als mens niet zonder deze door de mens ontwikkelde kunstmatige intelligentie kunnen, sterker nog, dat we zonder deze ontwikkeling zouden uitsterven. De nieuwe mens is in de ogen van Kirsch een onvermijdelijke, door de evolutie bepaalde symbiose tussen de mens en deze kunstmatige intelligentie.

Het is een populair, hedendaags idee dat we machines aan het ontwikkelen zijn die beter en zuiverder kunnen denken dan wij zelf. En dat dit een onvermijdelijke, volgende stap is in de evolutie. Dat wij als mens de evolutie daarmee zelfs kunnen versnellen. We zullen in dat idee kunstmatige instrumenten ontwikkelen die ons als mens volmaakt maken, zodat we onze onvolmaaktheid, zowel fysiek als psychisch kunnen oplossen. Want daar komt het eigenlijk op neer. Onze onvolmaaktheid zorgt ervoor dat er ziektes zijn, dat er armoede is, honger, maar ook oorlog. In de toekomstvisie van deze figuur Edmond Kirsch in het boek van Dan Brown zorgt kunstmatige intelligentie ervoor dat deze problemen allemaal worden opgelost.

Ik stel me nu de vraag, wat is dan eigenlijk de oorzaak van deze onvolmaaktheid? In mijn visie, sterk beïnvloed door denkers als Oespensky, Gurdjieff, maar ook A.H. Almaas, wordt ieder mens in een onvolmaakt nest geboren. Met andere woorden; ieder mens loopt een trauma op van de liefde die hij tekort is gekomen, gemist heeft. In welke vorm dan ook. Je zou ook heel simpel kunnen zeggen, in deze materiële aandachtslaag is de liefde niet volmaakt. Dat veroorzaakt in ieder van ons een gat, een crack, een pijnlijke plek. Als kind hebben we niet het bewustzijn om deze pijn te voelen. In plaats daarvan ontwikkelen we vanuit ons systeem, onze persoonlijkheid manieren om dit gat niet te voelen. Je zou kunnen zeggen dat onze persoonlijkheid uit verschillende centra bestaat, zoals Gurdjieff dit noemt; lichaam, emotie, denken en zelfs een seksueel centrum. Deze centra gaan nu dit gat vullen als het ware en het gevolg is dat we door deze compensatie niet volmaakt functioneren. Je zou deze combinatie van verkeerd gebruik van centra ook ons ego kunnen noemen. Dat ego wordt een kunstmatige centrum, de kunstmatige instelling die ons gat, de pijn van ons gat compenseert. Gurdjieff noemt dit ook wel onze valse persoonlijkheid. Je kunt je dus voorstellen dat we met deze compensatie niet zuiver of helder kunnen denken, niet helder of zuiver kunnen voelen, omdat al deze centra beïnvloed zijn door het gat, de pijn van het gat, dat het moet vullen. Dit is over het algemeen, uitzonderingen daar gelaten, de situatie van iedere mens die in onze samenleving functioneert, wetenschap bedrijft, in de politiek bezig is, onze doktoren etc. etc. Bij de een lukt die compensatie wat beter dan bij de ander, heeft daar meer last van dan de ander. Zo binnen, zo buiten. In die zin is het dus niet zo gek dat we door de onvolmaaktheid in onszelf, buiten onszelf een onvolmaakte wereld creëren.

Laten we ons nog eens concentreren op dat gat dat in ons ouderlijk nest ontstaat. Want als we ons daarop concentreren, ligt daar wat mij betreft ook de oplossing. Het is trouwens al heel wat dat we in plaats van hard weglopen van dat gat, ons voorzichtig gaan richten op dat gat, met onze aandacht, ja, met ons bewustzijn naar dit gat toegaan. Naar dit gat, waarin we de liefde hebben gemist die we als mens zo nodig hebben. Of waarin we later in ons leven steeds weer worden gekwetst en pijn worden gedaan. Net als de persoon Edmond Kirsch, trouwens, die in zijn daden en denken wordt gedreven door de pijn die hem in zijn jeugd en latere leven wordt aangedaan.

Als we dus met onze aandacht naar dit gat durven toegaan, dan komen we hier al die emoties tegen van het gebrek aan liefde, die voor ieder mens zeer persoonlijk is. Hier komen we ook de overtuigingen tegen, die ons denken beïnvloed, zoals ik moet alles alleen doen, ik ben niet om van te houden, er is iets wat niet klopt aan mij, ik moet sterk zijn, ik ben een slecht mens. Het wonder is nu dat als we onze aandacht, ons bewustzijn op deze plek in onszelf richten, dat er, als we hier om vragen, van binnenuit een antwoord komt. Als we de moed hebben om onszelf te openen, te laten zien in wie we werkelijk zijn. Zonder ons mooier te maken dan we zijn. Als ons ego bereid is te buigen, een stap terug te doen. Dan komt er een antwoord dat ons systeem, ons opgebouwde ego systeem van disfunctionerende centra, eigenlijk niet kan geloven. Namelijk een antwoord van liefde, een antwoord vanuit een onvermoed, maar toch altijd aanwezig centrum in onszelf, essentie, zoals Almaas dit noemt. Er is een plek in onszelf waar we onvoorwaardelijk worden liefgehad. Waar we welkom zijn, waar ieder van ons welkom is. Je bent welkom, het is goed dat je er bent. Dat we worden gekend, ieder van ons, tot in onze diepste vezels, tot in de diepste details van iedere gebeurtenis die we hebben meegemaakt en zullen meemaken en liefgehad.

Het vervelende is natuurlijk dat deze plek niet is te ontdekken zonder dat je ook de enorme pijn van het gat in je toelaat. Beetje bij beetje, dat gaat natuurlijk nooit in een keer. Er zijn misschien mensen die ervaringen hebben vanuit hun essentie, hun geestelijk deel, hun hoger bewustzijn, God, hoe je het ook noemt. Maar dat wil nog niet zeggen dat deze ervaringen van hun essentie zijn geïntegreerd in hun systeem, daarvoor moet je toch echt de pijn van je gat toelaten. Want op die plek vindt de versmelting plaats tussen essentie en persoonlijkheid. Wordt een verbinding gelegd tussen ons hoogste en laagste punt. Op die plek wordt een nieuwe mens geboren. Die niet meer afgescheiden is van zijn essentie, maar daarmee verbonden is en dus een is met de wereld om zich heen.

Deze liefde van binnenuit, is wat mij betreft het enige juiste antwoord dat te geven is op dat psychische gat, dat in onze vroegste jeugd is geslagen. Daar kan geen robot, machine of computer tegen op. Deze niet abstracte, maar persoonlijke en onvoorwaardelijke liefde is het antwoord dat klopt en het is het antwoord dat ontspant. Want op dat moment wordt ons ego ontslagen van de onmogelijke taak die het op zich heeft genomen, namelijk de pijn van dat gat te compenseren. Dat is een langzaam proces (het ego geeft zich namelijk niet zo makkelijk gewonnen) en is voor mij de zin en betekenis van innerlijk werk. In dit proces kan het niet anders dan dat we als mens ook beter gaan functioneren, zowel in ons lijf, als in onze emotie als in ons denken. We gaan anders eten, we gaan anders, zuiverder voelen, gevoelens van vrede, van schoonheid, van vreugde. En gaan anders denken. We zijn instaat verbanden te leggen, die eerder niet voor mogelijk werden gehouden. We gaan anders handelen. We vinden in onze essentie ons talent en de passende vorm waarmee we werkelijk een bijdrage kunnen leveren aan de wereld om ons heen. In plaats van een valse persoonlijkheid ontwikkelen we een gezonde persoonlijkheid die in evenwicht is, in verbinding is met onze essentie.

Dus als antwoord op het boek van Dan Brown, is mijn idee van de nieuwe mens in de toekomst niet dat we een symbiose moeten aangaan met de door onszelf ontwikkelde kunstmatige intelligentie en daarvan in hoge mate afhankelijk worden, maar dat we een verbinding moeten aangaan met onze essentie die in ieder van ons aanwezig is. Dan ontwikkelen we in onze evolutie een nieuwe, vrije en onafhankelijke mens als een vlinder uit een rups, die niet langer gevangen zit in zijn ego. Een nieuwe mens die kan reizen tussen tijd en ruimte, die kan scheppen, de natuurwetten kent en daarmee als een goddelijk kind kan spelen, die in verbinding is in plaats van in afgescheidenheid. Die mens is in ieder van ons aanwezig.

 

 

Gastenboek

Wilt u reageren? Onderaan iedere blog heeft u hiertoe de mogelijkheid.
Daarnaast kunt u een email sturen naar: tomribbens@mac.com